Als het buiten warmer wordt, komen de mieren te voorschijn. Vooral op warme dagen zijn ze vaak en bijna overal te zien. Vaak is het de Zwarte Wegmier die onder de stoeptegels vandaan komt. Dit is te zien omdat overal zand naar boven is gewerkt, met een gaatje waar de mieren naar binnen en naar buiten gaan. Het nest zit onder de grond, die bestaat uit een gangenstelsel en vele kamers. Als je een stoeptegel optilt, kun je dat bekijken. Mieren houden niet van licht, en zullen dat ook al snel wegkruipen. Met een beetje geluk tref je een kamer aan, waarin eitjes en larven verzorgt worden. Wat je dan ziet, zijn kleine eitjes en grote eitjes. De grote eitjes zijn eigenlijk geen eitjes. Het zijn coconnen van de larve. Eerst worden door de koningin eitjes gelegd. Na tien tot vijftien dagen komen de larven uit het eitje. Ze worden dan verzorgd en gevoerd door de werksters. Na twee weken spinnen de larve een cocon, en worden in tien dagen tijd een miertje.Als je wat langer naar een nest kijkt, zie je dat mieren insecten naar binnen slepen. Dit is voedsel voor de larven. Volwassen mieren kunnen namelijk geen vast voedsel tot zich nemen, larven wel. Volwassen mieren moeten voedsel fijn malen en dat dan 'opdrinken'. Ze zijn verzot op honingdauw, dat is het vocht (met een hoog suikergehalte) wat de bladluis produceert. Daarom zie je vaak mieren waar bladluizen ook zijn. Zwarte wegmieren lopen vaak bij boomstammen omhoog omdat ze dan op zoek zijn naar een plekje waar ze boomsap kunnen drinken. Je ziet ze in een 'treintje' achter elkaar aan lopen. Waarom dat zo is, heeft met geur te maken. Het voornaamste zintuig van de mier zijn de voelsprieten. Daar ruiken ze mee. Als er één mier bij de boom omhoog loopt, ruikt de volgende mier dat, en volgt. Zo gaat dat door en in een mum van tijd lopen er honderden mieren de boom omhoog.
Na een regenbui op een warme dag in juli of augustus komen er ineens vliegende mieren te voorschijn. Dit zijn de mieren die voor de volgende generatie moeten zorgen. Het zijn jonge koninginnen en mannetjes. Ze vliegen hoog de lucht in waar de paring plaatsvindt. Als dat gebeurd is, gaan de bevruchte koninginnen op zoek naar een geschikte plek om een eigen kolonie te beginnen. De vleugels worden afgebeten en vaak opgegeten. Dit is nodig omdat de koningin voedingsstoffen nodig heeft om haar eerste eitjes te leggen. De mannetjes sterven al gauw.
In de natuur worden kolonies vaak niet ouder dan drie jaar, in gevangenschap kan de koningin soms wel twintig jaar of ouder worden.